9 okt 2025

Leve de dode schrijvers

Gerbrand Bakker vindt het ‘goed’ dat het Couperus Museum gesloten is, schrijft hij in Aan mij heb je niks, zijn vierde dagboek in de privé-domein-reeks. ‘Een Belcampo-biografie. Prima,’ zegt hij, ‘als zijn boeken maar niet opnieuw verkocht worden.’ ‘Al die dode schrijvers hebben hun tijd gehad,’ stelt Bakker. De verkoop van boeken van dode schrijvers gaat ten koste van het inkomen van nog levende schrijvers, is zijn mening. Dat is zeer de vraag. Literatuur wordt vooral door boomers gelezen. Een draagkrachtige groep. Die kopen zo’n heruitgave er gewoon even bij. Misschien is het juist goed om boeken van dode schrijvers opnieuw uit te geven. Al is het maar om een nieuwe generatie lezers kennis te laten maken met wat destijds literatuur was en nu nog steeds is, en wat in de jaren zestig en zeventig op de middelbare school op de literatuurlijst mocht. Al zijn die nieuwe, jonge lezers natuurlijk uitzonderingen. Zo’n heruitgave wordt vooral gelezen door ouderen, de middelbare scholieren van toen. De boomers van nu.

Een van de uitzonderingen is de dertiger Joost, hoofdpersoon in De bandagist, van Marente de Moor. Hij komt als bandagist bij ouderen over de vloer om hun voeten en benen in te zwachtelen en raakt onder de indruk van de boekenkasten in hun riante kamers met hoge plafonds. Natuurlijk komt al snel Lijmen / Het been van Elsschot ter sprake. Joost raakt in de ban van de oude literatuur, het domein van dode schrijvers: Nescio, Flaubert, Dostojevski, Gogol, Tolstoj, Poe, Márquez. De citaten spoken door zijn hoofd. Door het lezen vervreemdt hij van leeftijdgenoten. Hij past niet meer in het straatbeeld van Amsterdam met telefonerende wandelaars, rijen TikTok-toeristen, fietsers op fatbikes en e-bikes.

Waanzinnige staat

De bezoeken aan de vaak dementerende boomers verleiden Joost tot het stelen van kleding van de overleden echtgenoot of die van een verwarde, gepensioneerde arts. In uiterlijk en gedrag belandt hij in een andere tijd, in een andere wereld. Die van de literatuur. Hij hoeft niet op reis, zoals zijn vriend Dante, die hem van de ene op de andere dag in de steek laat. Nee, Joost leest over reizen: ‘Thuis lag er een boek op me te wachten. Het beschreef de voetreis door Europa van een man van mijn leeftijd in de vorige eeuw. Overal gaven de mensen hem te eten en onderdak, soms in de stallen, soms in een vissershut op het strand.’ Ik dacht natuurlijk meteen aan Belcampo, Herman Schönfeld Wichers, die op zijn eenendertigste jaar acht maanden (oktober 1933 tot juni 1934) door Europa zwierf. Het boek waar Marente de Moor op doelt is De zwerftocht van Belcampo. ‘Hij kende de sterren en de heiligen bij naam en koos zijn woorden net zo zorgvuldig als zijn route op de kaart.’ Belcampo schreef inderdaad in een verzorgde, traditionele stijl. ‘En toen hij terugkwam, werd er ademloos naar zijn verhalen geluisterd. Omdat hij de enige was die zo’n reis had gemaakt. Hij kwam op de radio en zijn boek werd door heel veel mensen gelezen die ervan droomden hem achterna te gaan. Misschien is dat precies wat lezen is: dromen onder begeleiding.’